* een koffiekopje of glas: Dit is heel gebruikelijk.
* een servet of tissue: Bij het knippen van lippenstift.
* iemands wang of lippen: Na een kus.
* kleding: Een kraag, mouw of andere stof na contact.
* Een letter of kaart: Als een speels of aanhankelijk gebaar.
* een spiegel: Tijdens het aanbrengen van lippenstift kan ze een vlek achterlaten.
* Een sigaret: Als ze rookt.
* een stro: Van het drinken van een drankje.
* Een stuurwiel: Als ze lippenstift in de auto aanbrengt.
* Een telefoon: Als ze aan de telefoon praat na het aanbrengen van lippenstift.